Direct naar inhoud
Krantz & Polak Resolve
nl
Schade melden

Jurisprudentie door Krantz & Polak

Rechter: vermoeden van fraude is onvoldoende om een hele claim af te wijzen (2017)

Een rechterlijke uitspraak uit 2017 maakte duidelijk dat verzekeraars die een claim integraal weigeren wegens fraudevermoeden, de bewijslast dragen — en dat een vermoeden alleen niet volstaat.

In december 2017 deed de rechtbank uitspraak in een zaak waarin een verzekerde zich verzette tegen de integrale afwijzing van zijn schadeclaim. De verzekeraar had de uitkering geweigerd op basis van wat zij omschreef als “een gerechtvaardigd vermoeden van fraude”. De verzekerde stelde daar tegenover dat een vermoeden geen bewijs is, dat zijn schadeopgave volledig onderbouwd was, en dat de werkelijke reden voor afwijzing waarschijnlijk lag in de hoogte van het claimbedrag. De rechter koos partij voor de verzekerde — niet op de feiten, maar op het beginsel.

De achtergrond

Verzekeraars in Nederland hanteren sinds enkele jaren een gestructureerd systeem voor fraudebeheersing. Onderdeel daarvan is de mogelijkheid om bij gerede twijfel een claim niet of beperkt uit te keren, de polis te beëindigen, en de gegevens van de verzekerde door te geven aan landelijke registraties zoals het Centraal Informatie Systeem (CIS) en het Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen (EVR). De gevolgen voor de verzekerde zijn ingrijpend: in feite oncruisbaar worden in de verzekeringsmarkt voor jaren.

Het is — gegeven die zware consequenties — geen verrassing dat rechters in fraudegeschillen steeds nadrukkelijker letten op de kwaliteit van het bewijs dat een verzekeraar aanvoert. Een “vermoeden” mag de start van een onderzoek rechtvaardigen; het mag niet de basis zijn voor een sanctie met levenslange uitwerking.

Wat speelde er in deze zaak

De verzekerde had een schade gemeld die naar zijn zeggen op de gebruikelijke wijze was verlopen. De verzekeraar startte een toedrachtonderzoek en kwam tot een aantal observaties die in het onderzoeksrapport als “onverklaarbaar” of “afwijkend” werden geclassificeerd. Geen van die observaties bevatte op zichzelf bewijs van opzet of bedrog; samen vormden zij volgens de verzekeraar wel een patroon dat fraude waarschijnlijker maakte dan een toevallige reeks omstandigheden.

Op basis daarvan trok de verzekeraar drie conclusies: de claim werd integraal afgewezen, de polis werd beëindigd, en de verzekerde werd geregistreerd. De verzekerde stapte naar de rechter.

Wat oordeelde de rechter

De rechter legde de redenering langs een aantal vaste lijnen die in de Nederlandse rechtspraak over fraude in verzekeringszaken inmiddels stevig zijn ingeburgerd.

De bewijslast ligt bij de verzekeraar. Wie zich op fraude beroept om een claim af te wijzen, draagt de bewijslast. Dat volgt uit de algemene regel van bewijslastverdeling — wie iets stelt, bewijst — en uit het feit dat fraude een uitzondering is op de hoofdregel dat een gedekte schade wordt uitgekeerd.

De maatstaf is “naar redelijke maatstaven aannemelijk”. De Hoge Raad heeft in eerdere uitspraken het criterium aangelegd dat de feiten zodanig aannemelijk moeten zijn dat opzet tot misleiding redelijkerwijs uit het bewijs volgt. Een vermoeden, hoe ernstig ook, is op dat niveau onvoldoende. Het gaat om een hogere bewijsdrempel dan “het zou kunnen”.

Onverklaarde feiten zijn geen bewijs. Het feit dat een verzekerde sommige zaken niet of niet volledig kan toelichten — bijvoorbeeld waarom bepaalde bonnen ontbreken — vormt op zichzelf geen bewijs van bedrog. Mensen verliezen documenten; herinneringen vervagen; gewone schade laat lang niet altijd een ordelijk papieren spoor achter. Een verzekeraar die dat tegen de verzekerde gebruikt, draait de bewijslast feitelijk om.

Een integrale afwijzing is een zware maatregel. Zelfs als er twijfel zou bestaan over één onderdeel van de claim, rechtvaardigt dat niet zonder meer dat de héle claim wordt afgewezen. Een verzekeraar die meent dat één post niet klopt, moet dat specifiek motiveren en kan daarop een gerichte correctie toepassen — niet het hele dossier dichtgooien.

De rechter veroordeelde de verzekeraar tot uitkering van de schade, opheffing van de polisbeëindiging en verwijdering van de gegevens uit de registraties.

Het bredere kader: goede trouw en redelijkheid

De uitspraak past in een bredere lijn waarin de civiele rechter de verhouding tussen verzekeraar en verzekerde toetst aan de norm van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW). Een verzekeringsovereenkomst is per definitie een ongelijke contractsverhouding: de verzekeraar beschikt over juridische capaciteit, fraudeonderzoekers en standaardprocedures; de verzekerde staat daar — op het moment dat hij hen het meest nodig heeft — vaak alleen tegenover. De redelijkheid eist dat die ongelijkheid niet wordt aangewend om de zwakste partij te belasten met een bewijspositie die hij niet kan dragen.

Het beginsel werkt in twee richtingen. Een verzekerde die werkelijk fraudeert, kan op fraudegronden worden gesanctioneerd — dat blijft bestaan. Maar een verzekerde die ongelukkig wordt getoetst, op basis van onverklaarde omstandigheden, en daardoor wordt gestraft alsof hij gefraudeerd heeft, krijgt bescherming.

Wat betekent dit voor verzekerden

Drie praktische lessen volgen uit deze uitspraak.

Wie een afwijzing krijgt op basis van “fraudevermoeden”, doet er goed aan eerst op te vragen wat het concrete bewijs is. Een vermoeden zonder onderliggend bewijsmateriaal is procedureel een zwakke positie voor de verzekeraar. Wie zonder onderbouwing wordt geregistreerd in CIS of EVR, kan die registratie via Kifid of de rechter laten toetsen. Verwijdering is mogelijk en gebeurt regelmatig. En wie zich gedwongen voelt om een afwijzing zonder onderzoek te accepteren, omdat “het toch geen zin heeft”: deze uitspraak en de bredere jurisprudentie laten zien dat tegenstand wel degelijk zin kan hebben.

Tot slot

Fraude bestrijden is een legitiem belang van verzekeraars; de samenleving heeft daar belang bij, en eerlijke verzekerden hebben daar uiteindelijk belang bij. Maar het instrument waarmee dat gebeurt — de mogelijkheid een hele claim af te wijzen — is zo zwaar dat het juridisch dringend bewijs vereist. De uitspraak van 2017 is een herinnering aan dat evenwicht: niet alles wat een verzekeraar verdacht voorkomt, mag een rechter ook verdacht vinden.

Meer in jurisprudentie

Direct schade gehad?

Bel ons of meld uw schade online. Wij nemen meestal binnen 24 uur contact op.