Direct naar inhoud
Krantz & Polak Resolve
nl
Schade melden

Jurisprudentie door Krantz & Polak

Minister bevestigt: verzekeraars moeten zich aan de wet houden bij contra-expertise (2017)

In 2017 maakte de minister van Justitie en Veiligheid duidelijk dat polisvoorwaarden niet boven het Burgerlijk Wetboek kunnen gaan — een politieke bevestiging van wat de wet al zei.

In 2017 beantwoordde de minister van Justitie en Veiligheid een reeks Kamervragen over de manier waarop schadeverzekeraars in Nederland omgaan met het recht van verzekerden op een eigen contra-expert. De antwoorden waren juridisch niet revolutionair — zij bevestigden wat het Burgerlijk Wetboek al twintig jaar zegt — maar politiek wel betekenisvol. Het was de eerste keer dat een bewindspersoon zich expliciet en publiek uitsprak over de spanning tussen polisvoorwaarden en dwingend recht in deze materie.

Wat ging eraan vooraf

Vanaf ongeveer 2015 was er in de Tweede Kamer een groeiende discussie over de marktmacht van schadeverzekeraars bij claimafhandeling. Consumentenprogramma’s zoals Radar en Kassa hadden gevallen belicht waarin verzekerden moeite hadden om gehoor te krijgen voor hun visie op de schadeomvang. De gebruikelijke route — een eigen expert inschakelen — werd in de praktijk soms gefrustreerd door polisvoorwaarden die bijvoorbeeld eisten dat de contra-expert ingeschreven moest zijn bij een specifiek register, of die maximumbedragen verbonden aan kostenvergoeding zonder ruimte voor uitzonderingen.

De vraag die op tafel lag, was eenvoudig: mag een verzekeraar via haar polisvoorwaarden het wettelijk recht op contra-expertise feitelijk uitkleden?

Wat antwoordde de minister

Het antwoord van de minister kwam neer op drie kernpunten.

Ten eerste: het wettelijk kader is dwingend. Artikel 7:959 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de redelijke kosten tot vaststelling van de schade voor rekening van de verzekeraar komen. Dat artikel is van dwingend recht voor zover het verzekerden tegen consumentenpraktijken beschermt — een verzekeraar kan er niet ten nadele van de verzekerde van afwijken in de polisvoorwaarden. Een polisbepaling die zegt “wij vergoeden geen expertisekosten” of “wij vergoeden alleen kosten van onze huisexpert” is, voor zover die met het BW in strijd is, eenvoudigweg niet geldig.

Ten tweede: kwaliteitsborging is een legitiem doel, maar geen vrijbrief. De minister erkende dat verzekeraars belang hebben bij de kwaliteit van experts waar zij mee werken — een ondeugdelijk expertiserapport kost iedereen tijd en geld. Maar dat belang rechtvaardigt geen polisvoorwaarden die de keuze van de verzekerde feitelijk reduceren tot één register of één gecertificeerde lijst. Kwaliteit kan ook achteraf worden getoetst, bijvoorbeeld door inhoudelijke kritiek op het rapport.

Ten derde: de markt moet zichzelf op orde brengen, of de wetgever zal ingrijpen. Dit was de politiek meest interessante boodschap. De minister wees op de gedragsregels van het Verbond van Verzekeraars en op de geschillenfunctie van Kifid, en hield de sector voor dat als zelfregulering onvoldoende effect heeft, aanvullende wetgeving op de agenda kan komen. Geen directe dreiging, wel een onmiskenbare ondertoon.

Politieke en juridische context

De ministeriële uitspraken kwamen in een periode waarin meerdere ontwikkelingen samenvielen. In de Kamer waren al in 2015 vragen gesteld door het CDA over praktijken bij contra-expertise. Tegelijk liepen er aan de civiele kant procedures tegen grote verzekeraars over de aanvullende eisen die zij aan contra-experts stelden — procedures die uiteindelijk zouden leiden tot de Hof-uitspraak tegen Achmea in 2020.

Het minister-antwoord uit 2017 vormde in die context geen op zichzelf staande gebeurtenis, maar een schakel: een formele bevestiging vanuit de uitvoerende macht dat de wet zegt wat de wet zegt — en dat de sector geacht wordt zich daaraan te conformeren.

Wat betekent dit voor verzekerden

Voor wie als verzekerde tegen een polisvoorwaarde of feitelijke handeling aanloopt die in strijd lijkt met het wettelijk recht op contra-expertise, biedt deze ministeriële bevestiging een extra argument. Niet omdat een Kamerbrief op zichzelf rechtskracht heeft — een rechter blijft de uiteindelijke arbiter — maar omdat zij illustreert dat de Nederlandse staat het wettelijk recht op een eigen expert serieus neemt en de sector heeft opgeroepen daarmee in lijn te handelen.

Concreet betekent dit dat u, wanneer een verzekeraar zich beroept op een polisbepaling die uw vrije keuze of de vergoeding van redelijke expertisekosten beperkt, kunt verwijzen naar het dwingend karakter van artikel 7:959 BW en naar de positie die de minister daarover in 2017 heeft ingenomen. Verzekeraars weten dat die positie er ligt, en passen hun praktijk er in de regel — onder druk — op aan.

Tot slot

De ministeriële bevestiging uit 2017 was geen wetswijziging en geen rechterlijke uitspraak. Maar zij was wel een signaal dat het politieke speelveld en het juridische speelveld in deze materie naar dezelfde kant wijzen: het recht van de verzekerde op een eigen contra-expert is geen optie, het is een norm. En polisvoorwaarden die met die norm in strijd komen, kunnen daar niet boven uitgaan.

Meer in jurisprudentie

Direct schade gehad?

Bel ons of meld uw schade online. Wij nemen meestal binnen 24 uur contact op.