In 2018 deed de rechtbank uitspraak in een zaak waarin een verzekerde van Interpolis de volledige vergoeding van zijn contra-expert opeiste. De zaak was inhoudelijk niet uniek — vergelijkbare procedures lopen voortdurend tegen vrijwel elke grote schadeverzekeraar — maar de uitspraak zette opnieuw scherp op papier wat het wettelijk uitgangspunt is. En dat uitgangspunt blijft, ondanks herhaalde rechterlijke bevestiging, in de praktijk regelmatig onder druk staan.
Wat speelde er
De verzekerde had na een schade een eigen contra-expert ingeschakeld om de schadeomvang vast te stellen. Interpolis verweerde zich tegen de declaratie van die expert op twee fronten. Allereerst werd het uurtarief van de contra-expert als te hoog gepresenteerd in vergelijking met wat de verzekeraar zelf aan haar eigen expert betaalde. Daarnaast werd het totaal aantal bestede uren ter discussie gesteld, met de stelling dat een deel van de werkzaamheden overbodig zou zijn geweest.
De verzekerde stelde daar tegenover dat de inschakeling van de contra-expert direct voortvloeide uit het feit dat de verzekeraar zelf met een te lage schadevaststelling kwam. Dat tegenwicht bieden — en daar de tijd voor nemen die het dossier vereist — kan niet achteraf als “onnodig” worden weggezet door diezelfde verzekeraar die de oorspronkelijke discussie heeft uitgelokt.
Het wettelijk kader
Artikel 7:959 van het Burgerlijk Wetboek is de centrale bepaling. Lid 1 stelt onomwonden vast dat de redelijke kosten tot vaststelling van de schade ten laste van de verzekeraar komen. Die kosten zijn dus geen “gunst” van de verzekeraar, geen “tegemoetkoming” en geen post die alleen wordt vergoed als de verzekerde gelijk krijgt op de schade-omvang. Het zijn kosten waar het BW een eigenstandige rechtsgrond voor geeft, los van de uitkomst van de schadediscussie.
De wet bevat één begrenzing: de kosten moeten redelijk zijn. Dat begrip “redelijk” is bewust open gehouden — de wetgever wilde een rechter in staat stellen per geval te wegen of zowel het tarief als de omvang van de werkzaamheden passend was bij wat het dossier vroeg. Maar de bewijslast dat kosten onredelijk zijn, ligt bij de partij die zich daarop beroept. In de praktijk: bij de verzekeraar.
Wat oordeelde de rechter
De rechtbank wees in deze zaak grotendeels mee met de verzekerde, langs drie lijnen.
1. Het uurtarief van een contra-expert is geen spiegelbeeld van het tarief dat een verzekeraar intern hanteert. Verzekeringsexperts werken doorgaans in een langlopende contractrelatie met één opdrachtgever, met volume-afspraken en standaardisering. Een contra-expert die voor één dossier door één verzekerde wordt ingeschakeld, kent die schaalvoordelen niet en heeft ook een fundamenteel ander procesrisico. Een hoger uurtarief is daarom niet vanzelf onredelijk.
2. De inhoud van de werkzaamheden moet beoordeeld worden tegen het verloop van het dossier. Als een dossier complex wordt — bijvoorbeeld doordat de verzekeraar zelf vragen blijft stellen, aanvullende stukken vraagt of de schade in deelposten verdeeld behandelt — leidt dat onvermijdelijk tot meer uren bij de contra-expert. De rechter weegt mee wie de extra werkdruk veroorzaakt heeft.
3. Wat “redelijk” is, wordt niet eenzijdig door de verzekeraar bepaald. De rechter merkte op dat het systeem van artikel 7:959 BW illusoir wordt als de schadeplichtige partij alleen ook bepaalt wat de kosten van de tegenpartij-deskundige zouden mogen zijn. Een verzekeraar die structureel ver onder de marktprijs taxeert, zou daarmee feitelijk het recht op contra-expertise uithollen.
Interpolis werd veroordeeld tot vergoeding van het grootste deel van de declaratie, met een beperkte aftrek op posten die de rechter daadwerkelijk als bovenmatig kwalificeerde.
Wat betekent dit voor verzekerden
Drie praktische implicaties volgen uit deze uitspraak.
Voor wie nu schade heeft en twijfelt of de kosten van een eigen expert “wel vergoed worden”: het uitgangspunt van de wet is dat zij worden vergoed. Niet als gunst, maar als zelfstandige rechtsplicht van de verzekeraar.
Voor wie een korting op een declaratie krijgt van de verzekeraar: die korting moet inhoudelijk gemotiveerd worden. Een ongespecificeerde verwijzing naar “marktconforme tarieven” is geen geldige grondslag — de verzekeraar moet concreet aanwijzen welke uren onnodig zouden zijn en welk tarief in het concrete geval onredelijk zou zijn.
Voor wie zich afvraagt of het zin heeft om door te procederen: rechtbanken zijn in deze materie consistent. Wie zijn kosten goed kan onderbouwen — met een gespecificeerde urenstaat, een navolgbare opdrachtbevestiging en een passend tarief voor het werk — staat sterk.
Tot slot
De Interpolis-uitspraak van 2018 was geen aardverschuiving, maar wel een herbevestiging op een moment dat verzekeraars in toenemende mate probeerden via tariefdiscussies de feitelijke toegankelijkheid van contra-expertise te beperken. Samen met de latere Hof Den Haag-uitspraak over Achmea (2020) vormt zij een lijn in de Nederlandse rechtspraak die de positie van de verzekerde versterkt: u heeft recht op een eigen expert, en de redelijke kosten daarvan komen voor rekening van uw verzekeraar.