Op 27 oktober 2015 stelde CDA-Kamerlid Peter Oskam een reeks vragen aan de minister van Veiligheid en Justitie over de manier waarop schadeverzekeraars in Nederland omgaan met de inschakeling van een eigen contra-expert door verzekerden. De vragen kwamen op een moment dat het onderwerp in de media nadrukkelijk aandacht kreeg — onder meer via consumentenprogramma’s en publicaties over verzekerden die naar eigen zeggen ondergesneeuwd raakten in een claimafhandeling waarin de verzekeraar zelf zowel partij als beoordelaar was. De Kamervragen-set van Oskam markeert achteraf het politieke startpunt van een discussie die in de jaren erna zou doorlopen tot rechterlijke uitspraken en ministeriële bevestigingen.
De aanleiding
In de aanloop naar deze vragen waren verschillende signalen samengekomen. Consumentenrechten-uitzendingen hadden gevallen belicht waarin verzekerden klaagden over de afhandeling van met name brand-, water- en stormschades. Daarnaast was er kritiek vanuit de hoek van contra-experts zelf, die meldden dat bepaalde verzekeraars hen feitelijk weigerden te erkennen — bijvoorbeeld door alleen experts uit één register als gesprekspartner te accepteren, of door declaraties principieel niet of slechts deels te vergoeden.
Het CDA pakte deze signalen op. Voor een partij die historisch hecht aan een goed werkende markt met evenwichtige posities tussen consument en aanbieder, was dit een natuurlijk dossier: niet ideologisch tegen verzekeraars gericht, wel kritisch op marktgedrag dat de wettelijke positie van de verzekerde uitholt.
Wat werd er gevraagd
De vragen van Peter Oskam vielen in grote lijnen in drie categorieën uiteen.
Vragen over het wettelijk kader. Hoe verhouden polisvoorwaarden zich tot artikel 7:959 BW? Mag een verzekeraar bij polis bepalen dat alleen experts uit een specifiek register als contra-expert worden geaccepteerd? En wat is de status van de verplichting tot vergoeding van redelijke expertisekosten — is dat een hard recht of een tot interpretatie staande norm?
Vragen over de marktpraktijk. Heeft de minister signalen dat verzekeraars in de praktijk verzekerden ontmoedigen om een eigen expert in te schakelen? Wordt er gestuurd op uitkering aan eigen schadeafhandelaars zonder dat verzekerden bewust worden gemaakt van hun recht op contra-expertise? En hoe verhoudt zich dit tot de zorgplicht die verzekeraars op grond van de Wet financieel toezicht hebben?
Vragen over toezicht en handhaving. Welke rol ziet de minister voor de Autoriteit Financiële Markten (AFM) bij praktijken die de keuzevrijheid van verzekerden beperken? Is de geschillenfunctie van Kifid voldoende om in individuele gevallen recht te doen, of is structurele toetsing nodig?
Wat antwoordde de minister
Het antwoord op deze vragen — schriftelijk gegeven in de weken erna — was juridisch zorgvuldig en politiek beheerst, maar bevatte voor wie de materie kende drie heldere boodschappen.
Ten eerste werd bevestigd dat het recht op een eigen expert en op vergoeding van de redelijke kosten daarvan voortvloeit uit dwingend recht. Polisvoorwaarden die hier ten nadele van de verzekerde van afwijken, zijn in beginsel niet rechtsgeldig.
Ten tweede werd erkend dat de zorgplicht uit de Wft meebrengt dat verzekeraars hun verzekerden actief moeten informeren over hun rechten in een schadeafhandelingsproces — niet alleen wanneer daar expliciet om wordt gevraagd. Het verzwijgen van het recht op contra-expertise is, kort gezegd, op gespannen voet met die zorgplicht.
Ten derde werd het Verbond van Verzekeraars opgeroepen om de gedragsregels rond contra-expertise zelf aan te scherpen. De minister hield zich het recht voor om, mocht zelfregulering onvoldoende blijken, aanvullende maatregelen te overwegen.
Wat het betekende voor de branche
De Kamervragen van 2015 hebben op korte termijn geen wetswijziging tot gevolg gehad. Wel hebben zij een aantal indirecte effecten gesorteerd die in de jaren erna zichtbaar werden.
Het Verbond van Verzekeraars heeft de gedragscodes rond contra-expertise herzien en aangescherpt — zij het in tempo en omvang die door de sector zelf bepaald bleven. Het politieke signaal dat het onderwerp op de radar stond, gaf rugwind aan civiele procedures die rond dezelfde tijd door en namens verzekerden werden gestart tegen verzekeraars. De later genoemde uitspraken tegen Interpolis (2018) en Achmea (2020) staan niet los van het klimaat dat in 2015 door deze Kamervragen mede gevormd werd.
En consumenten-organisaties hebben sindsdien systematischer gewezen op het bestaan van het recht op contra-expertise — eerder bleef dat recht voor veel verzekerden onzichtbaar, simpelweg omdat het nergens prominent werd vermeld.
Wat betekent dit nu voor u
Als verzekerde mag u ervan uitgaan dat uw recht op een eigen contra-expert vandaag de dag stevig is verankerd: in de wet, in de gedragsregels van de sector zelf, en in een reeks rechterlijke uitspraken die op het politieke fundament van onder meer deze Kamervragen rusten. Loopt u toch nog tegen een verzekeraar aan die dat recht in twijfel trekt, dan kunt u verwijzen naar artikel 7:959 BW en naar de bevestigingen die opeenvolgende ministers — beginnend bij het antwoord op de vragen-Oskam — daarover hebben gegeven.
De Kamervragen van oktober 2015 zijn historisch niet de eindstreep van de discussie, maar wel een startpunt zonder dat alles erna een stuk moeilijker had geweest.